Eerste graad - Visie
Observeren in de eerste graad
- HET EERSTE JAAR:

Het eerste jaar is opgevat als een gemeenschappelijk jaar. Met uitzondering van de vier uren van de keuzevakken hebben alle leerlingen van de A-stroom een zelfde lessenrooster. Een keuze voor ASO/BSO/TSO is nog niet gemaakt.
Binnen dit algemeen aanbod aan vakken gaan leerlingen, leerkrachten en ouders samen op zoek naar de mogelijke interessegebieden en vaardigheden van de leerling. Alle wegen en keuzes zijn nog mogelijk, alhoewel de keuze voor Klassieke talen wel noodzakelijk is om dit interessegebied te kunnen uitbouwen.
Uitzondering hierop is de keuze voor de B klas. De leerling wordt hier voorbereid op een degelijke beroepskeuze. - HET TWEEDE JAAR:
Ook het tweede jaar is principieel een gemeenschappelijk jaar. De keuze voor een basisoptie houdt in theorie geen dwingende keuze in voor een bepaalde studierichting. De leerstof die in de specifieke vakken van de basisoptie behandeld wordt is bedoeld als kennismaking met de verschillende interessegebieden. De wereld van de klassieke talen, positieve wetenschappen, humane wetenschappen, economie en handel worden, afhankelijk van de keuze, via de basisopties ontsloten. De leerkrachten observeren de interesse, motivatie en vaardigheden voor deze optie. Tevens zoeken ze naar de leerweg die het best aansluit bij de mogelijkheden van de leerling: een uitgesproken theoretische leerweg binnen het ASO, een technische leerweg binnen het TSO of een praktische leerweg binnen het BSO.
Enkel voor de leerlingen van het BVL is de leerweg reeds in het tweede jaar bepaald. Zij bereiden zich via een ruim aanbod aan praktische vakken voor op een richting binnen het BSO.
Op basis van de observatiegegevens van de leerkrachten wordt op het einde van het tweede jaar een attest uitgereikt en een advies geformuleerd.
Orienteren in de eerste graad
De wijze waarop de leerling zich de vakken Nederlands, Frans en wiskunde eigen maakt, is belangrijk voor de keuze van een leerweg.
Als de leerling de vaardigheid toont om deze vakken op een theoretische, abstracte manier te verwerken, dan liggen zijn toekomstmogelijkheden wellicht in het ASO. Als de leerling voor de verwerking van de leerstof duidelijk nood blijkt te hebben aan inoefening en concrete toepassing, is het TSO wellicht meer aangewezen. In het BSO tenslotte krijgen de vakken een uitgesproken praktische dimensie.
Om het verwerkingsproces van de leerstof op te volgen worden de vorderingen van de leerling regelmatig gecommuniceerd via rapporten. De vijf dagelijks werk rapporten leren hoe de leerling omgaat met de lessen en taken die hem dagelijks worden voorgelegd. De vier syntheserapporten tonen dan weer de mogelijkheden van de leerling in het verwerken van grotere hoeveelheden leerstof. In beide gevallen wordt de waardering uitgedrukt in cijfers. Leerkrachten van vakken met een praktisch luik evalueren bovendien ook de attitude van de leerling in het uitvoeren van opdrachten. In de A-stroom wordt dit geïntegreerd in het cijferrapport. In de B-stroom worden deze observaties uitgewerkt tot vier attituderapporten die de syntheserapporten vervangen.
In het zoeken naar een passend interessegebied en juiste leerweg worden leerling en ouders niet aan hun lot overgelaten. Keuzes groeien uit ervaring en overleg. Leerkrachten wisselen regelmatig ervaringen uit. Naast de bespreking van resultaten, komen tijdens deze klassenraden ook verworven vaardigheden en attitudes ter sprake. Op die wijze wordt de aanleg van elke leerling in kaart gebracht. Ook worden geregeld oudercontacten georganiseerd. Hier worden de bevindingen van de leerkrachten getoetst aan de mening van de ouders. Het resultaat van dit overleg wordt besproken met het Centrum voor Leerlingbegeleiding (CLB).
Op die wijze wordt een weloverwogen attest uitgereikt en een passend advies geformuleerd.